COLUMN > Groninger Grensverhalen (uit nr.4 2008)
Net als bij mijn vorige huis komt ook langs mijn nieuwe flat elk kwartier een bus langs. Eén van de belangrijkste noord-zuid verbindingen. Ironisch genoeg dezelfde lijn als langs mijn oude huis, zo blijven banden bestaan met het verleden.
Soms voel ik mij als een bus. Zo gauw ik de telefoon opneem of letterlijk naar buiten ga, sta ik mensen toe om in mijn leven ‘in te stappen’. Sommigen gewenst, anderen met blijdschap begroet, maar regelmatig ook gewoon ’werk’.
Als vrienden of familie instappen, krijg ik regelmatig een ‘fooi’ in de vorm van een hartelijke omhelzing of warme groet. Maar als ik telefoondienst heb, twee keer per week, of gewoon naar buiten ga, weet ik nooit wat voor passagiers ik binnen in mijn bestaan haal. Al zijn er ‘vaste passagiers’. Soms bellen ze me op andere tijdstippen om zich te verzekeren dat ik er dinsdag en/of vrijdag wel ben. Dat zijn de mensen die me groeten en me aankijken en dan rustig gaan zitten wachten.
Ik krijg ook andere mensen binnen mijn ‘bus’. Mensen die de weg zoeken en tegen wie ik dan alleen kan zeggen dat ik mijn ‘lijn’, mijn weg ga en misschien moeten zij wel over- of uitstappen. Omdat ik ze niet kan brengen waar ze moeten zijn. Vaak deel ik wel een eindje van hun weg en komen ze toch wat verder. Dat geeft een goed gevoel!
Er zijn er ook waar ik ‘slechts’ chauffeur ben en hun verhalen hoor alsof ze door hun mobiel praten. ‘Ahum’, en ‘Ja’ en ‘Nee’ hoef ik alleen maar te zeggen. Mensen die in elke voorbijgaande bus stappen om maar te zitten en hun verhaal kwijt te kunnen.
Het mag niet (in een echte bus), maar sommige mensen beginnen echt een gesprek met mij. Verdrietige moeders, stoere, maar klein hartjes hebbende vaders, partners, de wanhoop nabij, lotgenoten. Echte gesprekken, warme belangstelling, luisterend oor ben ik dan. Zij mogen altijd een tijdje met me mee reizen. Dan kan ik vertellen dat ik in elk geval zeker mijn eindbestemming weet en dat ze mee mogen komen, dat er hoop is. Tuurlijk, het is hard werken, ook als ‘chauffeur’. Goed opletten, op tijd afremmen, mijn tijd in de gaten houden, rekening houden met het overige verkeer. Maar ik zie mijn bestemming, ik zit redelijk stevig in mijn zadel.
De vaste passagiers vind ik het leukst. Elke week even een praatje, ik voel me coach en het doet er wat toe. Het valt me op als die ander anders is, verdrietig klinkt, of juist (voor het eerst sinds lang?) trots is. Ik krijg een band met ze. Maar nieuwe mensen zijn welkom. Want, ondanks de soms boze, onbehouwen (wat leven we in een brute tijd) en kwetsende ‘passagiers’, ben ik met liefde op mijn bus.
Hoewel, nu de herfstblaadjes vallen, de dagen zo voelbaar korter worden, ik braaf mijn medicatie slik, is het soms zwaar.
Dan wil ik soms wel een bus zijn die naar buiten moet, boodschappen moet doen, naar een vergadering moet en dat ook doe, maar mag het even met ‘Sorry, geen dienst’?
Moi (Gronings voor ‘hoi’ én ‘tot ziens’).
Auteur: EllenReacties
maar die stap lijkt me zo moeilijk..
Tessa
Tessa | 11-07-2010 | 02:56













